Stap 2: Uittredepunt → Vak

In deze stap worden de uittredepuntfaalkansen uit Stap 1 gecombineerd tot één faalkans per vak.

Een dijkvak bevat meerdere uittredepunten waar piping kan initiëren. De faalkans per vak volgt uit het combineren van deze bijdragen, rekening houdend met het lengte-effect.

Bottom-up assemblage van traject naar vakniveau met SOM/MAX en lengte-effect.

Figuur 5 Schematische weergave van bottom-up assembleren van traject naar vakniveau. De trajectfaalkans wordt opgebouwd uit vakkansen (SOM/MAX), waarbij op vakniveau het lengte-effect wordt gemodelleerd via \(N_{\mathrm{vak}}\).

Figuur 5 laat zien hoe faalkansen op hoger schaalniveau worden opgebouwd uit onderliggende elementen en waar het lengte-effect in de assemblage wordt toegepast.

Lengte-effect en opschaling

Het aantal effectieve, onafhankelijke bijdragen binnen een vak wordt benaderd met:

\[N_{\mathrm{vak}} = \max\left( 1,\; a_{\mathrm{vak}} \frac{L_{\mathrm{vak}}}{\Delta L} \right)\]

waarbij:

  • \(L_{\mathrm{vak}}\) de lengte van het vak is;

  • \(\Delta L\) de equivalente onafhankelijke lengte voor STPH;

  • \(a_{\mathrm{vak}}\) de mechanismegevoelige fractie van het vak.

Bepaling van de faalkans per vak

De faalkans van het vak wordt bepaald met:

\[P_{f,\mathrm{vak}} = N_{\mathrm{vak}} \cdot P_{f,\mathrm{uittrede,rep}}\]

Hierin is \(P_{f,\mathrm{uittrede,rep}}\) de representatieve faalkans per uittredepunt binnen het vak.

De ondergrens van de vakkans wordt bepaald door de grootste individuele uittredepuntfaalkans; de bovengrens volgt uit de SOM-benadering.

In een vervolgstap kan \(P_{f,\mathrm{uittrede,rep}}\) worden afgeleid uit DSN-resultaten, bijvoorbeeld via een moving window-benadering of via een representatieve discretisatie gekoppeld aan \(\Delta L\).