Invoergegevens importeren

Tijdens het importeren van de invoergegevens doorloop je de onderstaande stappen. Wanneer alle stappen een vinkje hebben, zijn alle gegevens volledig ingevoerd.

ALGEMEEN
   Geohydrologisch model al ingesteld.

GIS LAGEN
   Dijktraject al toegevoegd.
   Vakindeling al toegevoegd.
   HRD-bestanden al toegevoegd.
   HRD-locatie punten al uitgelezen.
   HRD-fragility lines al uitgelezen.
   Uittredepunten al toegevoegd (#### in totaal).
   Polderpeil al toegevoegd.
   Binnenteenlijn al toegevoegd.
   Buitenteenlijn al toegevoegd.
   Intredelijn al toegevoegd.

GEOGRAFISCHE KOPPELINGEN
   Afstand en metrering tot reflijn al gekoppeld aan uittredepunten.
   HRD-locaties al gekoppeld aan uittredepunten.
   Afstanden intrede, buitenteen en binnenteen al gekoppeld aan uittredepunten.
   Polderpeil al gekoppeld aan uittredepunten.
   Vakken al gekoppeld aan uittredepunten.

PARAMETER INVOER
   Parameter invoer afgerond.

Algemeen

Er is één algemeen item in het invoerproces, namelijk de keuze van het geohydrologische model. Dit is een vertaling van de grondwaterstroming als gevolg van het hoogwater, met als resultaat van het model een schatting van de stijghoogte in het uittredepunt. Momenteel zijn 3 modellen ingebouwd, waaronder het veel gebruikte model 4A. Een gedetailleerde beschrijving vind je hier.

GIS lagen & Geografische koppelingen

In het onderdeel ‘GIS lagen’ wordt de gebruiker gevraagd om verschillende geografische datasets te importeren. Dit betreft onder andere het dijktraject, de vakindeling, de uittredepunten en de intredelijn. Gegevens kunnen worden ingelezen vanuit een Shapefile, GeoDatabase of GeoPackage.

Na het importeren van de geografische data worden de benodigde geografische koppelingen automatisch gelegd. Hierbij worden de verschillende datasets voornamelijk gekoppeld aan de uittredepunten, zoals het polderpeil.

Parameter invoer

Het proces van parameterinvoer vraagt om enige toelichting, omdat het iteratief van aard is. De invoer van parameters verloopt via een Excel‑bestand dat in GeoProb‑Pipe wordt geïmporteerd. Binnen dit bestand kunnen parameters op verschillende hiërarchische niveaus worden gespecificeerd:

  • Trajectniveau

  • Vakniveau

  • Vakniveau per ondergrondscenario

  • Uittredepuntniveau

Wanneer voor een parameter zowel geografische invoer als Excel‑invoer beschikbaar is, heeft de Excel‑invoer voorrang en wordt de geografische invoer overschreven.

Het voordeel van invoer op verschillende niveaus is dat je GeoProb-Pipe eerst globaal kunt vullen op trajectniveau, vervolgens de berekeningen kunt uitvoeren en daarna — op basis van de resultaten — de invoer verder kunt verfijnen op lagere niveaus zoals vakniveau. Dit maakt het proces iteratief: je specificeert steeds meer detail naarmate het oordeel verder moet worden aangescherpt.

Onder de motorkap doorzoekt GeoProb‑Pipe deze niveaus hiërarchisch. Als op een lager niveau geen invoer beschikbaar is, kijkt het programma automatisch naar het eerstvolgende hogere niveau. Wanneer er bijvoorbeeld geen invoer is op vakniveau, wordt automatisch gecontroleerd of er invoer op trajectniveau aanwezig is. Hierdoor hoef je alleen invoer op te geven voor de vakken, scenario’s of uittredepunten waarvoor je daadwerkelijk een nadere detaillering wilt doorvoeren.

In de onderstaande figuur staat een voorbeeld van hoe invoer op de verschillende niveaus wordt toegepast.

[[TODO: Figuur toevoegen]]

Keuze menu ‘Parameter invoer’

De volgende keuze opties zijn er:

  • Zijn de invoer tabellen zijn naar wens? Ga door naar volgende stap

  • Overzichtsfiguren van invoertabellen: Exporteren

De overzichtsfiguren bieden middels HTML-figuren een interactieve manier om snel visueel te zien hoe de invoer van je parameters is gedaan. Je krijgt een figuur per parameter.

  • Invoer tabellen: Importeren vanuit Excel

  • Invoer tabellen: Exporteren naar Excel

Beschrijving specifieke parameters

Een beschrijving van de invoerparameters staat hier beschreven.

Rekenmodel

Er zijn enkele algemene instellingen, dit is hoofdzakelijk de systeem keuze. Momenteel is enkel Piping` een keuze. Later wordt dit uitgewerkt naar onder andere de keuzes model4a en deze i.c.m. Moria en/of het toepassen van respons. Rekenmethodiek

Verschalingsfactoren

sdfsdf

Importeren GIS-data

GeoProb-Pipe vraagt je stapsgewijs om de GIS-data te importeren. Hij zal je vragen naar de locatie van de data. Dit kun je aanleveren als Shape-bestand, GeoDatabase of GeoPackage. De GIS data is bijvoorbeeld het dijktraject, de vakindeling en de uittredepunten. Omdat je de applicatie op elk moment kunt afsluiten, kun je ook eerst een deel van de GIS-data importeren en later verder gaan. Bijvoorbeeld, voor de uittredepunten locaties kan GeoProb-Pipe voor jou een eerste suggestie maken, waarna jij deze in ArcGIS zelf verder kunt aanvullen.

Omdat GeoProp-Pipe een GeoPackage is, kan je alle geïmporteerde data in ArcGIS bekijken en controleren of het goed is geïmporteerd.

Aan het einde van het importeren van alle GIS-data zal GeoProb-Pipe vinkjes geven voor elk onderdeel. Dit ziet er als het volgt uit.

Importeren parameter invoer

Dit doe doe je door de GeoProb-Pipe-applicatie op te starten. Deze neemt je vervolgens mee door alle stappen. In paragraaf pre-processing is hier verder op ingegaan. Het resultaat van dit bestand is een .geoprob_pipe.gpkp-bestand. Dit bestand is een GeoPackage, te openen in ArcGIS, met alle invoer.

Vastleggen algemene uitgangspunten van de berekening

Vastleggen uittredepunten

De volgende informatie dient te worden vastgelegd per uittredepunt:

  • UittredepuntID: elk punt heeft een eigen identifer

  • Locatie (x, y): locatie in RD coördinaten (bijv. geopandas-object)

  • Mvalue: waarde die de locatie van het uittredepunt weergeeft ten opzichte van de referentielijn. zie voorbeelden over linear referencing.

  • Uittredelocatie: optioneel, beschrijving van de locatie van het uittredepunt. Handig voor analyse van de berekeningen.

  • (Ruimtelijke) koppeling met het vak van de ondergrondschenario: VakID en Vaknaam.

  • DIST_L_GEOM: kortste afstand tot de geschematiseerde geometrische intredelijn.

  • DIST_BUT: korste afstand tot de geschematiseerde buitenteen lijn.

  • DIST_BIT: korste afstand tot de geschematiseerde binnenteen lijn.

  • HydraLocatie: ruimtelijke koppeling met de dichtsbijzijnde uitvoerlocatie.

  • Bodemhoogte: bodemhoogte (maaiveldniveau) ter plaatse van het uittredepunt.

  • Polderpeil: benedenstroomse waterpeil ter plaatse van het uittredepunt.

De werkwijze is als volgt:

  1. definieer uittredepunten in GIS omgeving: dit levert UittredepuntID, Locatie (x, y)

  2. Bepaal Mvalue via linear referencing aan de referentielijn.

  3. Koppel uittredepunten aan vakindeling: dit levert VakID en Vaknaam.

  4. Bepaal DIST_L_GEOM, DIST_BUT, DIST_BIT door spatial join met Geometrische Intredelijn, Buitenteen en Binnenteen.

  5. Bepaal Bodemhoogte door samplen raster met DTM/AHN

  6. Bepaal Polderpeil door intersectie met een polygon Polderpeilen.

  7. Koppel HydraLocatie aan Overschrijdingsfrequenties.

Discussie uittredepunten tabel

  1. De geometrische lengte van het achterland L3_geom is nu vastgelegd per vak. Dit is een parameter die niet heel precies vastgelegd hoeft te worden en vaak vooraf onbekend is. In lijn met DIST_BUT kan L3_geom ook worden vastgelegd als een geometrie en als veld aan het object uittredepunten worden toegevoegd.

  2. Optioneel kan het model worden uitgebreid met de verwachte top van het zand ter plaatse van het uittredepunt.

Typen ondergrondscenario’s

Een ondergrondscenario is een unieke verzameling van variabelen die de eigenschappen van de ondergrond beschrijven. Ondergrondscenario’s worden per vak of per uittredepunt vastgelegd. Er zijn drie typen ondergrondscenario’s:

  • Holoceen gefundeerd (HLF): Hierbij zit de deklaag boven een holocene zandlaag welke samen met de onderliggende pleistocene zandlaag het watervoerend pakket vormen.

  • Pleistoceen (PL): Hierbij ligt de deklaag direct boven op een pleistocene zandlaag.

  • Tussenzandlaag: Hierbij is er nog een tussenzandlaag aanwezig omsloten door de deklaag en een andere kleilaag. Deze is niet in direct contact met het pleistocene watervoerend pakket.

Een kenmerk van ondergronscenario’s is dat ze discreet zijn. Of het ene scenario komt voor binnen een vak of het andere. Afhankelijk van de beschikbare data kan je per uittredepunt de ondergrondscenario’s vastleggen. We kiezen er in deze implementatie voor om per vak een ondergrondscenario vast te leggen. Dit betekent dat alle uittredepunten binnen een vak dezelfde (typen) ondergrondscenario’s hebben.

../_images/TypenOndergrondscenario.png

Figuur 1 Voorbeeld typen ondergrondscenario’s